Wiep Idzenga
Nieuws > Reportages > Reizen

Reizen


een fragment uit Gevangenis zonder tralies
(Filippijnen, Archipel)

Eindelijk verlaat de jeepney -de kleurige, verlengde jeep die hét Filippijnse transportmiddel is- de stoffige hoofdweg. Een kwartier lang heeft de chauffeur een felle snelheidsstrijd geleverd met een andere auto en hebben wij in het stof gebeten. Een neergelaten slagboom en een bewaker met een imposant geweer versperren ons nu de weg. Het zijn pas de eerste tekenen van gevangenisleven. Kilometers geleden zijn we al het bord ‘Iwahig Prison and Penal Farm’, de grootste open gevangenis van het land, gepasseerd.
Toen de Amerikanen aan het begin van de vorige eeuw de Filippijnen innamen, zochten ze een plek voor mensen waar niemand op zat te wachten: leprapatiënten en misdadigers. Dat vonden ze op het onherbergzame Palawan, de langgerekte groep eilanden een paar honderd kilometer ten zuidwesten van Manilla. De zieken gingen naar Culion eiland, de gevangenen naar Iwahig, een half uurtje rijden van de hoofdstad Puerto Princesa.
De slagboom blijft dicht. De bewaker heeft mij tussen de familieleden van de gevangenen in de jeepney ontdekt. Ik moet me registreren. ‘Wat zit er in die tas?’, vraagt de bewaker nors. ‘Fotospullen’ is mijn antwoord, enigszins onder de indruk. ‘Je mag het mee naar binnen nemen, maar als we je foto’s zien maken, houden we je hier een tijdje.’We vervolgen onze weg. Een zandpad vol keien slingert door een groene zee van rijstvelden. Mannen in oranje kledij kijken op van hun werk. We passeren schoolkinderen in uniform op weg naar huis. Aan de voet van het gebergte, wordt een dorp zichtbaar. Daar verlaten steeds meer passagiers de jeepney. Als ik de laatst overgeblevene ben, vraagt de bestuurder waar ik moet zijn. ‘De gevangenis.’ Hij lacht. ‘Alles wat je hier ziet is gevangenis. In deze hutten wonen ook gevangenen.’ Hij is zo aardig me het huis van de directeur te wijzen.


een fragment uit Hosselen & pinaren
(de overlevingsstrijd van een rastafari, Suriname)

Paramaribo slaapt nog als ik op zondagmorgen langs de Surinamerivier loop. De Waterkant, de plek waar vroeger de schepen uit Nederland aanmeerden, ligt er verlaten bij. De eetstalletjes zijn dicht, op de terrasjes zit nog een enkeling die geen afscheid van de zaterdagnacht kan nemen. Op de tafels halflege djoego’s, literflessen Parbobier. Iemand probeert mijn aandacht te trekken. ‘Hé neef’. Ik kijk om en zie een kleine, magere, halfblote rasta achter me aan komen. ‘Kom es kijken wat voor mooie spullen ik heb’, zegt hij als hij me ingehaald heeft. Hij neemt me mee naar een oude schuttersput in de schaduw van een nienboom, met uitzicht over het Onafhankelijkheidsplein. Tussen vers geplukte bloemen staan naambordjes, haarspelden, brievenopeners en sleutelrekjes met naam uitgestald. ‘Cathelijn’ is er op één te lezen. Besteld door een toerist maar nooit opgehaald. Wereldschokkend zijn de creaties niet. Ze zullen bij Sotherby’s waarschijnlijk geen records breken. Maar het zijn wel leuke souvenirs. Hij noemt zichzelf ‘Mie na Mie’, wat ‘Ik ben ik’ betekent. Gewoon ‘Mie’ mag ook. De naam van zijn vader wil hij nooit meer gebruiken en daar wil hij verder niet over praten. Wat ik wel moet weten is dat hij 43 is, drie dochters in Nederland heeft en zich al vijftien jaar in leven houdt als selfmade houtsnijder.


een fragment uit Kamelen hebben altijd voorrang
(op een Enfield 350cc door Rajastan, India, Motor Magazine)

De verkeershysterie, die ik de laatste weken vanuit riksja’s en bussen heb bekeken, is al in volle gang. Ik wring me op goed geluk een paar maal tussen vrachtwagens en bussen door en leer al snel de twee hoofdregels in het Indiase verkeer: might is right, het recht van de sterkste, én wie voorop rijdt, kan alles maken. De bestuurder erachter moet maar opletten. Na twee keer flink vol in de remmen, zitten die lessen wel in mijn hoofd.

Bij Palwal, zestig kilometer buiten Delhi, is de ergste verkeerschaos achter de rug. Wat een verademing voor ogen, oren en vooral longen. Na een paar uurtjes rondcrossen in de walm van antieke bussen en overbeladen vrachtwagens, voelt het alsof ik een heel slof sigaretten heb weggepaft. Maar het mooiste is dat ik nu de Bullet goed kan horen. Holy cow, wat klinkt dat zware pompen van deze ééncilinder hemels! De Engelsen, die hier bijna een eeuw de scepter zwaaiden, hebben het land toch wat moois achtergelaten. En dat vinden de Indiërs zelf ook: sinds de jaren zestig worden Enfields alleen nog in India gebouwd.
Op een stoffig parkeerplaats staan fel oranje en geel beschilderde bussen en vrachtwagens. Het is etenstijd. Zittend op metalen frames met gevlochten rubber ertussen, doen mannen zich te goed aan dal en chapati, gekruide linzen en brood. Aan deze pittige uitvoering ga ik nog een paar dagen plezier beleven. Naast me zit Kishanveer. Met een vrachtwagen vol schapenwol is hij onderweg naar Delhi. Hij vindt het ‘supercool’ dat ik op een Indiase motor door Rajasthan toer. Hij geeft me adressen van familie waar ik kan overnachten. Met een Indiaas spreekwoord raadt hij me aan niet de strijd aan te gaan met de ‘mad truckdrivers’. ‘If you live in the river you should make friends with the crocodile.’ We nemen lachend afscheid.

            

Overige reisverhalen:
  • Gevecht om het witte goud (over kostbare, eetbare vogelnestjes in de Filippijnen, Archipel)
  • Riksjalopers op de vlucht (Calcutta, India, Azië Magazine)
  • Langs de kust op de motor (Vietnam, Azië Magazine)
  • De tentenmaker van Bat-Ulzi (te gast bij nomaden, Mongolië, Azië Magazine)
           
  • De Pinatubo geeft en neemt (terug naar de berg die zorgde voor de grootste vulkanische gebeurtenis van de 20e eeuw, Filippijnen, Azië Magazine)
          
  • Boodschappers van het regenwoud (Indonesië, Azië Magazine)
  • Nieuw leven in  een dode stad (de stad Bam een jaar na de verwoestende aardbeving, Iran) 
  • De Filippijnse hanenziekte (de sociale kant van hanengevechten in de Filippijnen)