Wiep Idzenga
Nieuws > De Maradona van China en andere landen > Fragmenten > Nepal

Nepal

Monniken op een tribune in Nepal. Foto's Wiep Idzenga

De volgende ochtend weigert de nevel de smalle straatjes te verlaten. Hier, ver buiten het centrum van de Nepalese hoofdstad Kathmandu, maakt het asfalt plaats voor aangestampte aarde. Rond een vuurtje rijgen twee vrouwen oranje en gele bloemen tot een krans. Ineengedoken in hun dekens wachten riksjarijders op klanten. Twee jongetjes trappen tegen een lekke bal. Een hangbrug over een droge rivier vol huishoudvuil leidt naar een zanderig voetbalveld vol stenen. Jongens in shirts van Brazilië, Argentinië en Europese topclubs stuiven enthousiast van doel naar doel. Niemand ergert zich aan het groepje geiten dat over de denkbeeldige middenlijn sjokt. Of aan het knulletje dat in een hoek van het veld brommerles krijgt van een oudere jongen. Als een jongen in een Real Madrid-shirt de bal onverwacht mooi de kruising inpoeiert, juichen beide teams. Meedoen lijkt belangrijker dan winnen.

Als ik achter het doel bloedrode pijen zie hangen, valt het kwartje: dit zijn voetballende monniken. De kleine keeper toont ter bevestiging een kaalgeschoren hoofd vanonder zijn wollen muts. Hij is een fan van Holland. Davids, Kluivert, Bergkamp, Van Nistelrooij, hij kent ze allemaal. Het partijtje is afgelopen: 7-7. De ploeg die als eerste een strafschop mist, heeft verloren. De kleine keeper heeft er weinig fiducie in – ‘ik ben geen Van der Sar’ – maar stopt direct de eerste penalty.

De jongens, die in een Tibetaanse klooster wonen, willen dolgraag over voetbal praten. Tobgyl (strong victory), de jongen in het Real Madrid-shirt, vertelt in redelijk Engels dat ze trainen voor hun jaarlijkse toernooi. Met Tibetaans nieuwjaar spelen ze in het Dasarath Stadion. Sinds ze het WK van 1998 op televisie zagen, zijn ze stapelgek van voetbal. ‘Eerst speelden we stiekem. We hadden op een markt hier ver vandaan, waar niemand ons kent, een plastic bal gekocht en buiten het klooster verstopt. Als we onze ochtendronde met de bedelnap snel liepen, hadden we soms een heel uur om te voetballen. We waren bang dat de oudere lama’s het niet goed zouden vinden. Boeddhisten moeten zo weinig mogelijk verlangens hebben. Toen ik het uiteindelijk vertelde, was de oudste lama inderdaad bang dat we te veel in het spel op zouden gaan en onze studie zouden verwaarlozen. Maar nu hij heeft gezien dat we gewoon onze teksten reciteren en taken uitvoeren, steunt hij ons. We krijgen zelfs geld voor tenues, schoenen en een goede bal.’

Voetbalveld in Nepal met monniken

Tobgyl schiet ermee op het doel en stelt voor samen de boeddhistische Swayambhunath-tempel te bekijken. Zijn muts gaat af en het Real Madrid-tenue verdwijnt onder het monnikengewaad. Resusapen vergezellen ons op de lange trap naar boven. Rond een witte stupa lopen voornamelijk vrouwen. Ze houden de gebedsmolentjes draaiende. Aan een lijn naar de gouden piek van de stupa klapperen fel gekleurde gebedskleedjes. Tussen kaarsjes en brandend wierook vertelt Tobgyl dat voetbal van hem een betere monnik heeft gemaakt. ‘Dit,’ hij pakt een stuk huid rond zijn middel vast, ‘is bijna verdwenen. Door trainingen en wedstrijden ben ik fitter en kan ik me beter concentreren.’

Volgens Tobgyl hoeft competitief voetbal geen obstakel te zijn op weg naar verlichting. ‘Boeddha leert ons de middle path te kiezen en dat kan in voetbal ook. Onze lama’s houden ons steeds voor dat het niet gaat om winnen maar om beter worden.’ Tobgyl lacht hard om de vraag waarom ze daarnet dan wel strafschoppen namen. ‘Ach, we kunnen elkaar daar dan een beetje mee plagen. Niemand was boos of verdrietig, toch?’ Nee, dat klopt. Ik wens Tobgyl veel plezier en ook een beetje succes bij het komende toernooi, en loop richting het Dasarath stadion. Over een paar uur begint daar de tweede halve finale van het internationale voetbaltoernooi.