Wiep Idzenga
Nieuws > De Maradona van China en andere landen > Fragmenten > China

China

Confucius was een voetballer van niks

Het Arbeidersstadion in
Beijing is op deze zondagavond matig gevuld. Het vak waarin ik zit, is kort voor de wedstrijd zelfs nog helemaal leeg. Moederziel alleen op stoeltje 18, rij 28, vak H3. Alsof de Chinese voetbalbond, die voor het kaartje heeft gezorgd, wil voorkomen dat ik met fans praat. De enkele supporters die af en toe bovenaan de trappen verschijnen, zetten bij het zien van duizenden lege stoeltjes onmiddellijk koers richting de luidruchtige aanhang van thuisclub Beijing Hyundai. Ze klimmen drie hekjes over en verdwijnen tussen de groengekleurde harde kern, die met trommels en Chinese punkrock uit kolossale boxen voor leven in de brouwerij zorgt. De jonge militairen die bij de lage afscheidingen staan, houden niemand tegen.

Na de derde geslaagde oversteek, besluit ik de fans te volgen. Het eerste vak gaat goed, maar halverwege het tweede fluit een man in een uniform met strepen vanaf het veld naar de bewaker van het laatste hekje. Die verspert me resoluut de weg. Het groene legioen fluit en joelt, maar de officier en zijn ondergeschikte zijn niet te vermurwen. We ruziën een tijdje, maar befehl bleibt befehl. Inmiddels zitten er in H3 toch wat toeschouwers en ik besluit snel terug te gaan, maar de officier gebaart naar de soldaten dat mijn oude vak nu ook verboden terrein is. De eerste soldaat ben ik nog te vlug af, maar als ik met één been in H3 sta, heeft zijn collega, een jongen van amper achttien, me bij de riem te pakken. Wat ik ook probeer, schelden, duwen en trekken, hij laat niet los. Pas als de fans, die de grootste lol hebben, een handje helpen, kan ik helemaal over het hek stappen. De militair druipt af. Ik ga rood van schaamte bij mijn bevrijders zitten.

‘Heel goed,’ zegt Wang Gao lachend, ‘kunnen die jongens vast oefenen voor de Olympische Spelen van 2008.’

Er is afgetrapt en de aandacht verplaatst zich gelukkig naar het veld. Het is vroeg in de avond maar nog ruim boven de dertig graden. De bal rolt voor geen meter in het stroperige gras en de spelers zijn in de beginfase niet vooruit te branden. De Maradona van China ga ik vanavond niet zien, verklappen de mannen. China’s toppers spelen tegenwoordig in Europa of bij Dalian Shide, de club die de laatste tien jaar zeven keer landskampioen werd. De grote man achter die reeks is unaniem hun favoriete speler: Hao Haidong.

Als uiting van respect houdt Wang Gao zijn ineengeslagen handen bij zijn voorhoofd. ‘Hao Haidong was ruim tien jaar onze nationale spits. In die tijd was hij briljant één-tegen-één. Als geen ander kon hij op volle snelheid afstoppen, snel van richting veranderen en er weer vandoor dribbelen. Verdedigers konden hem amper volgen. Hij maakte meer doelpunten voor China dan wie ook, maar veel Chinezen houden vooral van Hao Haidong omdat hij een rebel is. Hij doet alles wat gewone Chinezen niet durven: regels overtreden, ruzie maken met autoriteiten.’

Met plezier verhalen de mannen over Hao’s waslijst aan incidenten, schorsingen en berispingen. Zo spuugt hij tijdens een interland een scheidsrechter en mag een jaar lang geen nationale en internationale wedstrijden spelen. Hij levert indiscreet commentaar op het selectiebeleid en de tactiek van ex-bondscoach Bora Milutinovic en wordt langdurig geschorst. Als zijn schoenenfabriek een lening van een half miljoen dollar niet terug wil betalen, krijgt hij een reisverbod. Hao Haidong spaart gele en rode kaarten en loopt veel van zijn blessures buiten het veld op. ‘Hij is voor de duivel niet bang,’ zegt Wang Gao. ‘Chinezen hebben van nature weinig zelfvertrouwen. Hao Haidong heeft dat met zijn onverschrokken gedrag een geweldige
boost gegeven.’

Een rode kaart voor een speler van tegenstander Wuhan Huanghelou wekt de wedstrijd tot leven. Beijing Hyundai jaagt de bezoekers met succes op. Sui Dongliang scoort de enige treffer van de wedstrijd. Het groene vak danst en zingt. Wang Gao’s vriend ergert zich zichtbaar aan zijn dikke zoontje dat al de hele wedstrijd druk is met alles behalve het spel volgen. Hij verorbert enorme hoeveelheden chips en cola en probeert met papieren vliegtuigjes de militairen te raken, die op stoeltjes aan de zijlijn de toeschouwers in de gaten houden. ‘Enigst kind,’ verduidelijkt Wang Gao. ‘
Kleine keizers noemen we ze, omdat ze strontverwend en veel te vet zijn.’ Wao vertelt grinnikend dat de blijdschap van zijn vriend dat diens enige kind een zoon was, snel omsloeg toen deze niet van voetbal bleek te houden. “Een onopgeleide zoon is de schuld van de vader,” zeggen wij.’ Het vette ventje vindt het te ver lopen naar de toiletten en leegt zijn blaas in een colabeker. Zijn vader kijkt de andere kant op.

Op een immens plein in de Verboden Stad houdt een jongen me staande. Hij wijst op mijn oranje WK 1974-shirt en vraagt beleefd of ik met hem over voetbal wil praten. Op de plek waar de keizers plezier maakten met hun talrijke liefjes en de eunuchen het rijk bestuurden, vinden we in de schaduw van een boom een verkoopster met gekoelde cola en gefrituurde insecten. De jongen heet Yu Hong, studeert informatica en is absolutely mad van voetbal. Hij is supporter van AC Milan, Real Madrid en Sheffield United. Die laatste club heeft namelijk net zijn idool Hao Haidong aangetrokken. Yu Hong roemt zijn scorend vermogen en koelbloedigheid, maar er is een belangrijkere reden voor zijn adoratie. ‘Hao Haidong heeft ons hoogstpersoonlijk van een minderwaardigheidscomplex afgeholpen. Het lukte ons nooit van Zuid-Koreaanse en Japanse teams te winnen. Sinds de stichting van de Volksrepubliek in 1949 speelde China wel dertig keer tegen het Koreaans elftal, maar het won niet één keer. Koreaphobia noemden journalisten het. Economisch lopen we lichtjaren achter op Korea en Japan, en hoewel we fysiek groter en sterker zijn, dolven we op het voetbalveld ook altijd het onderspit. Gek werden we ervan.'In 2001 werd alles anders. Veelvoudig kampioen Dalian Shide versloeg in de Aziatische Cupwinners’ Cup eerst een Koreaans team, toen een Japans elftal en in de halve finale de Japanse topfavoriet Shimizu S-Pulse. ‘Het scenario was perfect. Na negentig minuten was het 2-2 en in de verlenging scoorde Hao Haidong het winnende doelpunt. We verloren uiteindelijk de finale van een Saudi-Arabisch team, maar wat gaf het? We hadden dankzij Hao Haidong de Japanners verslagen.’

Om China definitief te bevrijden van zijn inferieuriteitsgevoel, deed Hao Haidong het een jaar later nog eens dunnetjes over. Met negen doelpunten werd hij topscorer van de Aziatische Champions League, maar belangrijker nog: onder leiding van Haidong schakelde Dalian Shide weer Koreaanse en Japanse teams uit. ‘In die twee topseizoenen stal hij de harten van alle Chinese voetbalfans. Sinds die tijd treedt ook het nationaal elftal haar aartsrivalen met de borst vooruit tegemoet.’ In 2004 verloor China nog van Japan in de finale van de Azië Cup, maar in de Oost-Azië-variant een jaar later waren de rollen al omgekeerd.

Yu Hong staat op, neemt een slok cola en biedt me de laatste gebakken sprinkhaan aan. ‘Kom, ik zal je laten zien waarom winnen van de Japanners zo belangrijk voor ons is.'

Op weg naar de uitgang raken we verstrikt in een buslading Amerikaanse toeristen. Ze fotograferen allemaal dezelfde twee gouden leeuwen voor een poort. Enkele mannen dragen een t-shirt met de afbeelding van Mao. ‘Zouden ze er ook wel eens één aantrekken met Hitler of Stalin erop?’ wil Yu Hong weten. De commercie rond rebel Che Guevarra kan Yu Hong wel billijken, maar verheerlijking van een massamoordenaar, hij begrijpt er niets van.

We verlaten de Verboden Stad, steken het Tiananmenplein, het plein van de Hemelse Vrede, schuin over en beklimmen de trappen van het
Chinese Revolution History Museum. Yu Hong wijst op een enorm doek: ‘An Exhibition of Historical Facts on the Nanjing Massacre Committed by the Invading Japanese Troops.’ Als we aansluiten bij een rij schoolkinderen waarschuwt Yu Hong me voor de schokkende beelden binnen.

Ik verwacht een staaltje Chinese propaganda, maar eenmaal binnen verschrompelt mijn scepsis. Zalen vol foto’s, video’s en ooggetuigenverslagen tonen ‘de Verkrachting van Nanjing’. In december 1937 gaan Japanse troepen zich in de oude hoofdstad van het keizerrijk wekenlang te buiten aan misselijkmakende gruwelijkheden. Eerst executeren de Japanners voornamelijk soldaten die zich als burgers vermomd zouden hebben, maar al snel is geen mens meer veilig. Vrouwen, kinderen, bejaarden, de op hol geslagen Jappen sparen niemand. We lopen zwijgend langs het verzamelde materiaal. Inwoners van Nanjing werden levend begraven, in brand gestoken, aan de tong opgehangen, als katten verzopen. Lichamen werden in de Yangtze gegooid als boodschap aan de inwoners van Shanghai, een kleine driehonderd kilometer stroomafwaarts. Vrouwen – hoogbejaarden, zuigelingen en alles daartussenin – werden voor hun dood verkracht door groepjes soldaten. Vaders, zonen en monniken werden gedwongen mee te doen en toe te kijken. Met een pistool tegen hun slaap hebben Chinese mannen seks met lijken. We staren minutenlang naar filmopnamen van een jongetje dat aan onthoofding is ontsnapt. Als hij een diepe vleeswond in zijn nek toont, rolt zijn hoofd er bijna af.

De beelden zijn gemaakt in de veiligheidszone, ingericht door westerse missionarissen en handelaren die Nanjing weigerden te verlaten. Ze hadden voor de komst van de Japanse troepen de Chinese regering zover gekregen alle soldaten uit die zone terug te trekken. De Japanse overheid had immers beloofd de delen van de stad zonder Chinese soldaten ongemoeid te laten. Wonderwel lukt het de twintig achtergebleven buitenlanders een toevluchtsoord te creëren in de brandende en bloedende stad. Veel vrouwen en kinderen die het gebied bereiken, worden gespaard.

De inspanningen hebben nog een ander effect. De verslagen, foto’s en opnamen van de wreedheden bewijzen na de oorlog de misdaden tegen de mensheid. Een aantal generaals en lagere officieren wordt ter dood veroordeeld. Prins Asaka, de hoogste officier in Nanjing, ontspringt de dans omdat de Amerikanen keizer Hirohito hebben beloofd dat leden van de keizerlijke familie tijdens het Tokio-tribunaal buiten schot zullen blijven. Dezelfde Hirohito gaf zijn soldaten een jaar voor de massamoord een vrijbrief voor wraak door te roepen dat de internationale regels voor de behandeling van krijgsgevangenen niet voor de Chinezen golden. Het aantal doden tijdens de veertig dagen durende slachting wordt geschat op driehonderdduizend.

Yu Hong wil er zeker van zijn dat ik de aversie tegen de Japanners goed begrijp, want als ik op de trappen buiten op adem probeer te komen, vertelt hij nog een gruwelijk verhaal. ‘Weet je wat twee Japanse officieren onderweg naar Nanjing hebben gedaan? Ze hielden een wedstrijd wie het snelst honderd Chinezen kon onthoofden. Het verhaal gaat dat ze zo tekeergingen dat ze niet eens merkten dat ze de honderd al gepasseerd waren. Toen deden ze het nog een keer. Nu tot de honderdvijftig.’

Yu Hong is een serieuze jongen en ik heb tot nu toe niet aan zijn woorden getwijfeld, maar hier geloof ik geen snars van. Ten onrechte. Maanden later ontdek ik dat twee Japanse kranten al in 1937 gewag maakten van de weerzinwekkende gebeurtenis. De macabere kop in een dagblad luidde:
‘Ongelofelijk record in wedstrijd honderd mensen onthoofden. Toshiaki Mukai 106, Tsuyoshi Noda 105. De beide tweede luitenanten gaan verlengen.’ Tien jaar later worden de officieren uitgeleverd aan China, berecht door een oorlogstribunaal en geëxecuteerd.

Of ik begrijp waarom Hao Haidongs goals en onverschrokken optredens tegen Japan hem een heldenstatus hebben opgeleverd, vraagt Yu Hong.

Op het Tiananmenplein ontstaat plots beroering. Honderden agenten zijn begonnen het plein van noord naar zuid schoon te vegen. Scheldende ballonverkopers, kwade fotografen en zenuwachtige toeristen, het cordon dienders schuift ze zwijgend voor zich uit. Achter de politieagenten verschijnen nu rijen strak marcherende soldaten in groene uniformen. Ik zal niet de enige zijn die terugdenkt aan 1989, toen de politie en het leger hier ten koste van vele levens een einde maakte aan een anderhalve maand durende schreeuw om democratie. Heb ik iets gemist? Zijn de hervormers binnen de Partij aan de kant geschoven? Zijn de Olympische Spelen van 2008 met terugwerkende kracht aan Taiwan toegewezen? Ik vraag het Yu Hong.

Hij grijnst en wijst naar de militairen die stampend onze richting op komen. ‘Dit gebeurt nu iedere dag. Hu Jintao, de huidige president en secretaris van het centraal comité, wil dat iedereen, maar vooral de soldaten en agenten, deze tentoonstelling ziet. “Een goede basis voor patriottistisch onderwijs,” noemde hij het.’

Als de soldaten langs ons de trappen op marcheren en in het museum verdwijnen, besluiten wij dat we wel een biertje verdiend hebben.